Het pensioen van zelfstandigen en werknemers moet gelijk (er). CD&V heeft hiervoor een aantal voorstellen in de pijplijn. Zelfstandigen in bijberoep moeten de mogelijkheid krijgen om op de helft van hun beroepsinkomsten pensioenrechten op te bouwen. Nu bouwen enkel zelfstandigen die sociale bijdragen betalen aan het tarief van een zelfstandige in hoofdberoep, pensioenrechten op.  Verder wil de partij de pensioenformule harmoniseren: het correctiecoëfficiënt wordt gefaseerd opgegeven en het pensioen van meewerkende echtgenoten wordt verbeterd.

Pensioenrechten voor zelfstandigen in bijberoep

Zelfstandigen in bijberoep kennen een eigen bijdrageregime. In de praktijk gaat het veelal om solidariteitsbijdragen ten voordele van het sociaal statuut. Tenzij ze sociale bijdragen betalen aan het tarief van een zelfstandige in hoofdberoep (nl. op een netto belastbaar inkomen van minimum 13 550 euro in 2018) bouwen ze in het bijberoep geen sociale rechten op, deze worden gegarandeerd door de hoofdactiviteit. “Ook de bijberoepers die minder dan het tarief van het hoofdberoep betalen, moeten op de helft van het beroepsinkomen pensioenrechten kunnen opbouwen.”, zegt CD&V Kamerlid Leen Dierick.  De Oost-Vlaamse politica gaat verder: “Dit maakt het statuut van zelfstandigen in bijberoep aantrekkelijker in het licht van de recente bijkluswet zonder de financiering van het sociaal statuut op losse schroeven te zetten”.

Pensioenformule harmoniseren

Het zelfstandigenpensioen wordt berekend o.b.v. dezelfde parameters als het werknemerspensioen: de loopbaan, het beroeps-/bedrijfsinkomen en de gezinstoestand. “Aan de berekening van zelfstandigen wordt een correctiecoëfficiënt toegevoegd. Vandaag is de coëfficiënt gelijk aan 0,66325 voor netto beroepsinkomsten onder de 49.189,74 euro per jaar en 0,541491 voor de netto beroepsinkomsten die dat bedrag overstijgen. Daarom valt het wettelijk pensioen van een zelfstandige lager uit dan dat van een werknemer. De pensioenbedragen van zelfstandigen en werknemers moeten gelijk(er) worden. Daarom stellen we voor om deze correctiecoëfficiënt gefaseerd op te heffen.”, aldus Leen Dierick.

Verbetering pensioen meewerkende echtgenoten

In 2005 werd het zogenaamde ‘maxistatuut voor meewerkende partners’ ingevoerd.  Voortaan betalen deze meewerkende echtgenoten geboren na 1955 sociale bijdragen waardoor ze een volwaardige sociale bescherming hebben en een eigen pensioen opbouwen. De invoering van dit maxistatuut brengt voor veel gezinnen een meerkost aan sociale bijdragen mee, zonder dat deze maatregel voor al deze gezinnen een hoger pensioenbedrag meebrengt.

Alleen voor meewerkende echtgenoten die een eigen loopbaan van tenminste 30 jaar aantonen, blijkt de optelsom van het eigen pensioen en het pensioen van de echtgenoot op het niveau van het vroegere gezinspensioen. In gevallen waar de meewerkende echtgenoot geen eigen loopbaan van 30 jaar bewijst, zal de optelling van de twee pensioenen als alleenstaande niet het niveau van het vroegere gezinspensioen bereiken. In dit geval zijn de bijdragen van de meewerkende echtgenoot eigenlijk een maat voor niets. Dat heeft onder meer ook te maken met de leeftijdgrens van 50 jaar die op 1 juli 2005 is ingesteld.

CD&V stelt voor dat er voor de meewerkende echtgenoten die een loopbaan (als meewerkende echtgenoot) van ten minste 15 jaar kunnen aantonen. En die op 1 juli 2005 nog geen 50 waren, voor wat het bereiken van de voorwaarde van twee derden van een volledige loopbaan betreft, ook rekening gehouden wordt met de jaren van activiteit gelegen voor 1 juli 2005 en waarvoor geen onderwerpen was aan het statuut van zelfstandige.

Heel wat vrouwen van net onder de 50 jaar, die nog beroepsjaren konden aantonen (in eender welk statuut), werden verplicht om aan te sluiten bij het maxistatuut en de sociale bijdragen te betalen. Zij zullen omwille van de hoger vermelde regels nooit een eigen pensioen ontvangen aangezien de facto het gezinspensioen zal uitbetaald worden. “Daarom wil CD&V dat meewerkende echtgenoten die op 1 juli 2005 nog geen 50 jaar waren en een loopbaan van tenminste 15 jaar kunnen aantonen voor wat het bereiken van de voorwaarde van twee derden van een volledige loopbaan betreft, ook rekening gehouden wordt met de jaren van activiteit gelegen voor 1 juli 2005 en waarvoor er geen onderwerping was aan het statuut van de zelfstandigen.”, besluit Leen Dierick.

Meer info: Leen Dierick 0478/42.80.00

    Welkom bij CD&V. Onze websites maken gebruik van cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren. Lees onze Cookies Policy voor meer informatie. Ons cookiebeleid en deze voorkeuren gelden voor alle CD&V-websites. Door op 'Akkoord' te klikken, ga je akkoord met de geselecteerde cookies.