30/4/2010: Wetsvoorstel gelaatsbedekkende kledij gestemd in de Kamer
Reeds geruime tijd wordt publiekelijk het debat gevoerd over het kledingverbod dat gisteren ter stemming voor ligt. In alle ons omringende landen wordt nagedacht over de wenselijkheid een verbod in te stellen om binnen de publieke ruimte kleding te dragen die het gezicht volledig dan wel grotendeels bedekt houdt.
Het vrijwaren van de veiligheid is voor ons essentieel. Het is niet zozeer een objectief gevaar dat uitgaat van het dragen van gelaatsbedekkende kledij zoals de boerka of niquab, maar veel eerder een subjectief onveiligheidsgevoel dat door dergelijke kledij uitgelokt wordt. Het gezicht speelt immers een belangrijke rol in het sociaal contact tussen mensen. Wie zich intentioneel onttrekt aan deze sociale interactie creëert nu eenmaal argwaan tegenover de medemens.
Het voorstel voorziet in het strafbaar stellen via een strafwettelijke bepaling van het dragen van kleding die het gezicht geheel dan wel grotendeels verbergt. Indien anders bepaald bij wet of arbeidsreglementering of ook door tijdelijke toestemming krachtens een gemeentelijke verordening kan van deze regel afgeweken worden. Daarnaast wordt op voorstel van CD&V voorzien in de nieuwe gemeentewet dat bij niet vervolging door het parket de gemeenten die dit wensen alsnog een administratieve sanctie kunnen opleggen aan overtreders van deze strafbepaling.
Iedereen heeft het recht om een bepaalde geloofsovertuiging en -uiting te hebben. Maar die uiting moet wel passen binnen onze normen en waarden, onze maatschappij en onze wetten. Het boerkaverbod is zeker geen schending van de mensenrechten. Het recht op het beleven van religie blijft immers gevrijwaard.
Klik hier om mijn tussenkomst te bekijken (even scrollen naar 01:20:30).
Reageren?